logo bilzen

1970

1970

De hardere rock doet het goed: Black Sabbath en Deep Purple bestormen de hitparades. Maar de muziekwereld is in rouw nadat zowel Janis Joplin als Jimi Hendrix aan een overdosis overlijden. Aan de overzijde van het Kanaal lokt het Isle of Wight Festival (met onder anderen The Who, The Doors, Leonard Cohen en Miles Davis) meer dan 600.000 bezoekers en wordt daarmee het grootste festival aller tijden.
In Bilzen loopt het zo’n vaart niet. De ‘jaarlijkse hoogmis van de moderne muziek’ ondervindt steeds meer concurrentie van kleinere festivals die nu overal te lande plaatsvinden en na de uitgeregende editie van het jaar voordien, zit de organisatie krap bij kas. Met Black Sabbath halen ze alvast een topper van het moment binnen. Als ook The Kinks, Cat Stevens, Badfinger, Dizzie Gillespie en Arthur Conley present geven, lijkt het broodje gebakken. Het publiek zakt in massale getale af naar de festivalwei waar onder een stralende zon Jazz Bilzen voor de zesde keer van start gaat. Maar muzikaal weet geen enkele band te overtuigen: Gillespie speelt een makke set, Ozzy en de zijnen zijn de vreemde eend in de bijt en The Kinks krijgen enkel met ‘Lola’ de vlam in de pan. Dat ligt niet eens aan hun kunnen, maar vooral aan de wankele geluidsinstallatie van sponsor Davoli. Die zorgt ervoor dat Cat Stevens helemaal de mist in gaat en dat de aangekondigde Golden Earring weigert een voet op het podium te zetten. Barry Hay en de zijnen willen op hun eigen soundsystem spelen maar dat is een no go voor de organisatie. De band houdt voet bij stuk en keert onverhoeds terug huiswaarts. Maar niet zonder eerst langs de kassa te passeren. De medewerker die de gages uitkeert, is zich van geen kwaad bewust en betaalt braaf de beloofde 30.000 frank. Als het débacle de organisatoren even later ter ore komt, wordt de achtervolging ingezet. Maar de Earrings zijn al over de grens… Ook Arthur Conley zorgt voor ophef. De Amerikaanse soulster die met ‘Sweet Soul Music’ een kaskraker van jewelste op z’n naam schreef, komt zonder z’n vaste begeleidingsband naar Bilzen. Voor de gelegenheid huurt hij een stel Britse muzikanten in die zonder instrumenten op de afspraak verschijnen. In allerijl worden drums, bas en gitaren verzameld, maar er is ook nog een orgel nodig. De jonge Bilzense muzikant Paul Vrijens is bereid zijn gloednieuwe exemplaar uit te lenen. Maar wanneer de orgelist van dienst niet tevreden is met de klank, trapt hij het instrument doodleuk in elkaar en gooit het van het podium. De sfeer in de backstage zakt onder nul wanneer ook twee caravans die als kleedkamer dienst doen, vertimmerd worden. Bij sommige artiesten is de peace & love-vibe duidelijk ver te zoeken.
Niet alleen de artiesten doen moeilijk, ook de rijkswacht toont zich allesbehalve meegaand. Iedere inbreuk op het goed fatsoen wordt genoteerd en/of bekeurd.
Na afloop is de pers niet mals: de sfeer was ondermaats, het programma teleurstellend en het geluid abominabel. Bilzen wordt andermaal als oord van verwildering en dure rip off (350 frank voor een weekendticket!) in de kijker gezet. Hoofdredacteur Karel Anthierens van Humo schiet in zijn pen en ontkracht in een vlijmscherp artikel vol sneren naar de rijkswacht dat Bilzen ‘één groot drugshol’ zou zijn.
De spanning tussen de rijkswacht, de organisatie en Humo is te snijden…